nieuwsflash

Wetgeving dierlijk afval

laatst gewijzigd:
ma 27 april 09 (10u39)

Overzicht

Wanneer tijdens de vergisting bepaalde dierlijke bijproducten mee verwerkt worden, dan moet rekening gehouden worden met het Besluit Dierlijk Afval. Dit Vlaams besluit legt voorwaarden op voor de verwerking van dierlijk afval. Belangrijk daarbij zijn de sterilisatienormen voor de verwerking van dierlijk afval. Er moet bij de verwerking van dierlijk afval ook voldaan worden aan de specifieke sectorale voorwaarden uit Vlarem II.

Sinds 1 mei 2003 moet men rekening houden met de Europese Verordening (EG) Nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten die voorwaarden oplegt voor de verwerking van dierlijke bijproducten geschikt voor menselijke consumptie maar daar niet voor bestemd zijn om bepaalde, bvb. commerciële redenen. Deze verordening moet gevolgd worden in alle Europese lidstaten. Daarbij dient wel opgemerkt worden dat een lidstaat steeds strenger kan zijn dan wat minimum opgelegd werd in de verordening.

Europese Verordening (EG) nr. 1774/2002

"Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten "

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft de Verordening (EG) nr. 1774/2002 goedgekeurd tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Ze werd gepubliceerd in het officiële “Journal of the European Community” op 10 oktober 2002 en moet sinds 1 mei 2003 toegepast worden in elke lidstaat van de Europese Gemeenschap. De lidstaten hebben wel de keuze om strengere normen te hanteren dan de door Europa opgelegde. Later werden tijdelijke verordeningen en regels neergelegd bij de Europese Commissie om deze Verordening aan te passen en te verzachten. De Verordening heeft als belangrijkste element dat kadavers en afgekeurd dierlijk materiaal niet meer in diervoeding zouden mogen gebruikt worden. Voor bepaalde dierlijke bijproducten worden alternatieve verwerkingsmethoden dan diervoeding naar voor geschoven. Een daarvan is anaerobe vergisting!

3 categorieën

De vroegere Europese richtlijn 90/667/EEG, omgezet in Vlaanderen via het besluit dierlijk afval, onderscheidde drie soorten dierlijke bijproducten: gespecificeerd risicomateriaal, hoog risicomateriaal en laag risicomateriaal. In de ontwerpverordening stapt men af van deze terminologie en deelt men de dierlijke bijproducten in 3 categorieën:

Categorie 1-materiaal:
Dit is de categorie met het hoogste risico; deze categorie omvat dierlijke bijproducten die een risico vormen i.v.m. een overdraagbare spongiforme encefalopathie (TSE), een onbekend risico of een risico dat verband houdt met de aanwezigheid van residuen van verboden stoffen (d.w.z. hormonen, B-agonisten etc.) of van residuen van milieuverontreinigende stoffen (d.w.z. dioxines, PCB's etc.). Ook keukenafval afkomstig van internationale transporten is categorie 1-materiaal. Dierlijke bijproducten die tot deze categorie behoren, moeten volledig verwijderd worden door verbranding, medeverbranding of storting.
Categorie 2-materiaal:
Deze categorie omvat dierlijke bijproducten die een risico vormen i.v.m. andere dierziekten dan TSE of een risico dat verband houdt met de aanwezigheid van residuen van diergeneesmiddelen. Tot deze categorie behoren ook mest, de inhoud van het maagdarmkanaal gescheiden van het maagdarmkanaal,, en roostergoed van slachthuizen. Dit laatste product wordt gedefinieerd als het materiaal dat opgevangen wordt bij het voorbehandelingsproces van de afvalwaterbehandeling. Concreet houdt dit het materiaal in dat blijft liggen wanneer het afvalwater een zeef met maaswijdte van 6 mm passeert. Al het materiaal die die zeef van 6 mm passeert, wordt niet meer aanzien als zijnde dierlijke bijproducten. Zodoende is het slib afkomstig van slachthuizen geen dierlijk afval. Dierlijke bijproducten die tot deze categorie behoren, mogen gerecycleerd worden voor bepaalde andere doeleinden dan diervoeder (d.w.z. biogasproductie, compost, meststoffen of oleochemische producten, een en ander na adequate warmtebehandelingen). Indien ze verwerkt worden in een vergistingsinstallatie moeten ze eerst gesteriliseerd worden. Mest, de inhoud van het maagdarmkanaal gescheiden van het maagdarmkanaal,, melk en biest mogen ‘onverwerkt’ in een erkende biogasinstallatie verwerkt worden. Een erkende biogasinstallatie betekent wel dat een pasteurisatie-eenheid moet aanwezig zijn die niet te by-passen valt.
Categorie 3-materiaal:
Deze categorie omvat dierlijke bijproducten afkomstig van gezonde dieren (d.w.z. dieren die geslacht zijn in een slachthuis en na een inspectie overeenkomstig EU-wetgeving goedgekeurd zijn, melk van gezonde dieren, alsmede in volle zee gevangen vis). Alleen dierlijke bijproducten die tot deze categorie behoren, kunnen na een adequate behandeling gebruikt worden als diervoedermateriaal. Daarom vormt deze categorie de 'positieve lijst' van grondstoffen voor de vervaardiging van ingrediënten van dierlijke oorsprong die in diervoeders en huisdiervoer verwerkt mogen worden. Verder omvat deze categorie producten zoals wol, huiden, bont en veren, die bestemd zijn voor andere doeleinden dan dierlijke of menselijke consumptie (d.w.z. technische producten). Bij verwerking in een vergistingsinstallatie moet dit materiaal eerst gepasteuriseerd worden, tenzij alleen dierlijke bijproducten verwerkt worden die reeds verwerkingsmethode 1 ondergaan hebben. Ook keukenafval en etensresten niet afkomstig van internationale transporten vallen onder categorie 3-afval. Voor keukenafval vermeldt men wel dat dit vergist of gecomposteerd moet worden en dus niet in dierenvoeding kan gebruikt worden, behalve voor voeder voor dieren in dierentuin / circus / pelsdieren / wilde dieren / reptielen en roofvogels en honden. Volgens de bepalingen van dit document moet keukenafval niet gepasteuriseerd vooraleer te vergisten indien het als enig product vergist wordt met mest, de inhoud van het maagdarmkanaal gescheiden van het maagdarmkanaal,, melk en biest. In dat geval moet wel aangetoond kunnen worden dat hun behandeling een gelijkwaardig effect hebben met betrekking tot de vermindering van ziekteverwekkers.

Verwerking in anaerobe vergistingsinstallatie

Indien men een vergistingsinstallatie wil zetten waar slachtafval in gaat, dan moet men rekening houden met de bepalingen beschreven in de Verordening (EG) Nr. 1774/2002 omtrent de verwerking van dierlijke bijproducten in een biogasinstallatie. Dit bepaalt dat de volgende dierlijke bijproducten mogen verwerkt worden in een biogasinstallatie:

Indien men de eindproducten na vergisting wil valoriseren als bodemverbeterend middel of meststof, wordt gesteld dat een pasteurisatie/ontsmettingstoestel in een biogasinstallatie niet mag overgeslagen worden. Mede met nog andere bepalingen in de Verordening leidt dit tot de noodzakelijkheid van volgende voorbehandelingen wanneer men dierlijke bijproducten wil vergisten:

De gistingsresiduen mogen na vergisting geen Salmonella bevatten in 25 g product en er mogen maximaal 300 Enterobacteriaceae aanwezig zijn in 1 g product.

Wanneer producten uit verwerkte mest in de handel gebracht worden moeten deze een warmtebehandeling hebben ondergaan waarbij ten minste 60 minuten een temperatuur van 70°C is aangehouden of een daaraan gelijkwaardige behandeling. Er is echter een uitzondering, namelijk wanneer enkel mest, inhoud van het maagdarmkanaal gescheiden van het maagdarmkanaal, melk en biest verwerkt wordt OF samen met keukenafval niet afkomstig van internationaal transport. In die 2 gevallen kunnen andere specifieke eisen toegestaan worden door de bevoegde autoriteit, mits zij een gelijkwaardig effect hebben met betrekking tot de vermindering van ziekteverwekkers.

Verder moet het eindproduct vrij zijn van Salmonella (geen Salmonella in 25 g behandeld product), vrij zijn van Enterobacteriaceae (volgens meting van het aerobe kiemgetal: <1.000 kve per gram behandeld product) en een behandeling hebben ondergaan waarbij sporenvormers en toxinevorming worden onderdrukt.

De Europese Verordening (EG) Nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten is van kracht en moet in alle lidstaten toegepast worden sinds 1 mei 2003.

Besluit dierlijk afval

Wanneer men dierlijke afvalstoffen zoals bedoeld in het 'Besluit van de Vlaamse regering betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval' van 24 mei 1995 wil verwerken in een vergistingsinstallatie, moet aan de bepalingen van dit besluit voldaan worden. Op 15 december 2006 verscheen een gewijzigde versie van dit Besluit, die helemaal is afgestemd op de Europese Verordening (EG) 1774/2002 .

Definitie dierlijk afval: onder dierlijk afval wordt in dit besluit het volgende verstaan : dierlijke bijproducten (hele kadavers of delen van dieren of producten van dierlijke oorsprong die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn), met uitzondering van dierlijke uitwerpselen, keukenafval, etensresten, voormalige voedingsmiddelen, rauwe melk, eierschalen en bijproducten van gebarsten eieren, honing, schalen van schaaldieren, schelpen van schelpdieren, de inhoud van maag-darmkanaal, in zoverre deze gescheiden is van het maag-darmkanaal, eicellen, embryo's en sperma.

Wanneer men dus dierlijke mest of keukenafval wil vergisten, moet niet voldaan worden aan de bepalingen van dit besluit. Globaal gezien valt afval van slachthuizen en vleesverwerkende bedrijven zoals uitsnijderijen wel onder dit besluit.

Al het categorie 1-materiaal moet verwerkt worden in een vergunde inrichting voor de (mee-)verbranding van afvalstoffen of wordt eerst in een erkende inrichting met warmte behandeld en vervolgens verwerkt in een vergunde inrichting voor de (mee)verbranding van afvalstoffen.

Er wordt een commissie Dierlijk Afval opgericht bij de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, die bestaat uit vertegenwoordigers van de producenten en verwerkers van dierlijk afval en uit ambtenaren van OVAM, het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en het Agentschap Landbouw en Visserij. De commissie verleent advies over de ophaling en de verwerking van dierlijk afval. Ze doet dat uit eigen beweging of op verzoek van de minister. De minister zal binnen een termijn van 60 dagen een antwoord geven op een advies of vraag van de commissie.

Het volledige document besluit dierlijk afval is terug te vinden via de Vlaamse Codex en daar een opzoeking te doen naar ophaling en verwerking van dierlijk afval op datum 15/12/2006.

VLAREM-II

Vlarem Il-voorwaarden Momenteel is Vlarem onderhevig aan actualisatie. Volgens het ontwerpbesluit VLAREM-actualisatietrein zullen bovengenoemde voorwaarden grotendeels opgeheven worden en er zal verwezen worden naar de Europese Verordening (EG) nr. 1774/2002. Link naar het volledige (nog niet aangepaste!!) document Vlarem II .

Erkenning VLM

Een (met identificatiegegevens, verkorte checklist en bijlagen) kan met een versnelde procedure aangevraagd worden bij de VLM-Mestbank:

Indien men als input naast mest ook kiest voor biest, melk , inhoud van maag- en darmkanaal en ev. plantaardige producten wordt OVAM bij de aanvraag van erkenning betrokken (VLM oordeelt enkel over mest, OBA, Organisch Biologisch Afval, is de bevoegdheid van OVAM). Een gewone erkenning is nodig wanneer naast mest, inhoud van maag- en darmkanaal ook categorie 3 materiaal wordt vergist omdat dit noodzakelijk gepasteuriseerd moet worden. Bij een gewone erkenning mag het (gedroogde) digestaat ook geëxporteerd worden. Voor het invullen van het aanvraagdossier spelen het scheiden van rein en onrein (sanitaire voorwaarden), een goede opvolging met goed werkende meetapparatuur (meten is weten!) en interne controle (traceerbaarheid) een belangrijke rol.