Milieuvergunning

Recentelijk werd in de VLAREM-trein 2013 een rubriek aangemaakt voor vergistingsinstallaties (http://www.biogas-e.be/node/257)

Overzicht

Via Vlarem I wordt opgelegd wie een milieuvergunning moet aanvragen en zal bepaald worden welke 'klasse-inrichting' de vergistingsinstallatie zal zijn. Naargelang de hinderlijke activiteiten die op de vergistingsinstallatie voorkomen zullen bepaalde sectorale voorwaarden uit Vlarem II moeten gerespecteerd worden.

Vlarem I

Wie en welke rubrieken?

Vóór de staatshervorming moesten inrichtingen die hinder konden veroorzaken aan omwonenden, de directe omgeving en het milieu, over een heel gamma aan vergunningen beschikken. Naast de bouwvergunning waren meestal nog een exploitatievergunning, een lozingsvergunning, een vergunning voor het oppompen van water en nog eventuele andere vergunningen nodig.

Met de komst van Vlarem I, het Vlaams reglement op de Milieuvergunningen, op 6 februari 1991 werd de exploitatievergunning samen met enkele andere milieugebonden vergunningen geïntegreerd tot één vergunning: de milieuvergunning. Vlarem I legt vast waarvoor een vergunning vereist is, wie ze moet aanvragen en tot welke overheid men zich dient te richten. Vlarem I bepaalt eveneens hoe de procedure verloopt.

Wie moet een vergunning aanvragen? Een bedrijf is vergunnings- of meldingsplechtig (naargelang klasse bedrijf) indien er minstens één activiteit of handeling wordt uitgevoerd die in bijlage 1 van Vlarem I is gecatalogeerd als hinderlijk voor mens en milieu.

Toegepast op anaerobe vergistingsinstallaties en naargelang de specifieke kenmerken van de installatie kunnen volgende 'hinderlijke activiteiten' of rubrieken uit bijlage 1 van toepassing zijn:

  • Rubriek 2: Afvalstoffen
  • Rubriek 3: Afvalwater en Koelwater
  • Rubriek 9: Dieren
  • Rubriek 12: Elektriciteit
  • Rubriek 16: Gassen
  • Rubriek 24: Laboratoria
  • Rubriek 28: Mest of meststoffen
  • Rubriek 31: Motoren (machines) met inwendige verbranding
  • Rubriek 39: Stoom- en warmwatertoestellen
  • Rubriek 44: Vetten, wassen, Oliën

Eventuele andere hinderlijke inrichtingen of activiteiten die deel uitmaken van de installatie. De rubrieken die van toepassing zijn op de vergistingsinstallatie bepalen o.a. in welke klasse de inrichting valt, of al dan niet een milieucoördinator vereist is, of een milieujaarverslag verplicht is,... Meestal zullen op de vergistingsinstallatie meerdere hinderlijke inrichtingen of activiteiten naast elkaar voorkomen (bvb. verwerking van GFT, gecombineerd met bewerking van categorie 1-materiaal). In dat geval is de inrichting met de hoogste klasse bepalend voor de te volgen vergunningsprocedure.

Tabel: Detail Vlarem I-rubrieken voor vergisting en mestverwerking

Hinderlijke inrichting of activiteit

Rubriek

Klasse

Milieucoördinator

Audit

Jaarverslag

Vlarebo

Vergisting van niet gevaarlijke afvalstoffen

2.2.3.e

1

B

E

J

O

Andere biologische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen

2.2.3.f

1

B

E

J

A

Biologische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen

2.2.3.g

1

A

P

J

A

Verwerkingsbedrijf van cat.3-materiaal

2.2.4.d

2

-

-

-

A

Verwerkingsbedrijf van cat.2-materiaal

2.2.4.e

1

B

P

J

A

Verwerkingsbedrijf van cat.1-materiaal

2.2.4.f

1

A

P

J

A

Mestbewerking of -verwerking 2ton t.e.m. 1000ton mest

28.3.a

2

-

-

-

 

Mestbewerking of -verwerking 1000ton t.e.m. 2000ton mest

28.3.b

1

-

-

-

B

Mestbewerking of -verwerking meer dan 25000ton mest

28.3.c

1

B

P

J

B

Bedrijfsgebonden mestvergistingsinstallaties kunnen vergund worden bij de stallen (rubriek 9.3, 9.4, 9.5, 9.6 ,9.7). In welke rubriek men de installatie dan moet onderbrengen en onder welke klasse en voorwaarden men valt hangt in dit geval af van:

  • soort dieren (gevogelte, struisvogels, emoes e.d., varkens, mestkalveren, paard- en runderachtigen, gemengd, kleine herkauwers, inheemse kleine zoogdieren & pelsdieren),
  • gebied (woongebied met landelijk karakter, agrarisch gebied, ander gebied),
  • intensiviteit (aantal dieren).

Conclusie

Er kan gesteld worden dat een vergistingsinstallatie doorgaans een klasse 1-inrichting zal zijn, een milieucoördinator B zal moeten hebben, een éénmalige (E) of periodieke (P) milieuaudit zal moeten ondergaan en in sommige gevallen een milieujaarverslag (J) zal moeten voorleggen. Behalve wanneer het gaat om een bedrijfsgebonden installatie, dan kan men de installatie eventueel vergunnen bij de stallen (rubriek 9).

Instanties die meestal advies moeten geven bij een vergistingsinstallatie klasse 1 zijn: Agentschap Zorg en Gezondheid, VMM, VLM & OVAM.

Hoort uw bedrijf in klasse 1? Vraag dan een milieuvergunning aan bij de Bestendige Deputatie van de provincie waar de exploitatie zal plaatsvinden. De milieuvergunning wordt toegekend of geweigerd binnen 4,5 maanden.

Hoort uw bedrijf in klasse 2? Vraag dan een milieuvergunning aan bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente waar de exploitatie zal plaatsvinden. De milieuvergunning wordt toegekend of geweigerd binnen 3,5 maanden.

Hoort uw bedrijf in klasse 3?  Dan bent u enkel verplicht om dit te melden. Een modelformulier voor de melding van een klasse 3-bedrijf is vaak terug te vinden op de website van uw gemeente.

Momenteel loopt een testperiode tot 1 september 2013 om digitaal een aanvraag in te dienen:
https://www.milieuinfo.be/emil/index.html

Vlarem II

Vlarem II bevat o.a. de milieukwaliteitsnormen waarop de overheid haar vergunningenbeleid moet afstemmen, algemene en sectorale milieuvoorwaarden waaraan vergunnings- of meldingsplichtige bedrijven moeten voldoen en milieuvoorwaarden voor niet in Vlarem I opgenomen inrichtingen en activiteiten.

Men onderscheidt in Vlarem II drie soorten milieuvoorwaarden:

Algemene milieuvoorwaarden: van toepassing op alle hinderlijke inrichtingen, vertolken een algemeen zorgvuldigheidsprincipe en hebben een vangnetfunctie.

Sectorale milieuvoorwaarden: specifieke voorschriften van toepassing op welbepaalde hinderlijke inrichtingen, deze primeren op de algemene milieuvoorwaarden.

Bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden: kunnen specifiek voor een welbepaalde exploitatieplaats opgelegd worden en hebben voorrang op algemene en sectorale voorwaarden.

Milieuvoorwaarden voor anaerobe vergistingsinstallaties: Vergistingsinstallaties moeten sowieso voldoen aan de algemene milieuvoorwaarden van deel 4 van Vlarem II. Om te weten aan welke sectorale voorwaarden men moet voldoen moet vertrokken worden van de hinderlijke inrichtingen uit bijlage 1 van Vlarem I die op het bedrijf aanwezig zijn. De rubrieknummering uit bijlage 1 van Vlarem 1 wordt ook gevolgd in deel 5 van Vlarem II.

Bijvoorbeeld: wanneer op de installatie de hinderlijke activiteiten van rubriek 2 en rubriek 28 aanwezig zijn dan moet aan de sectorale voorwaarden van hoofdstukken 5.2 en 5.28 van Vlarem II voldaan worden. Vlarem I en II online.

Voor wie zoekt naar boeiende avondlectuur is een volledige versie van Vlarem I en II met alle bijlagen terug te vinden via de navigator milieuwetgeving. Meer informatie rond Vlarem is te vinden in "Bedrijf en milieu", een brochure van het Agentschap Ondernemen. Vlarebo waar sprake van is in de tabel wordt toegelicht in de folder Bodemdecreet Vlarebo.

Milieueffectenrapportage

Voor biogasinstallaties zijn doorgaans geen MER studies nodig. Bij uitbreiding van het landbouwbedrijf daarentegen wel. Indien dus bij een uitbreiding ook aan een biogasinstallatie wordt gedacht, dan wordt deze misschien ook in de rapportage meegenomen.

Uit het MER-besluit:

Installaties voor intensieve pluimvee-of varkenshouderij met meer dan :

a) 85.000 plaatsen voor mesthoenders (ander gevogelte dan leg kippen); of
b) 60 000 plaatsen voor hennen (legkippen); of 
c) 3.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 20 kg); of 
d) 900 plaatsen voor zeugen. 

Voor installaties voor mestbewerking of -verwerking met een verwerkingscapaciteit van 100.000 ton of meer dierlijke mest per jaar moet aangetoond worden dat de MER-plicht kan onthoffen worden.