Ruimtelijke ordening

De omzendbrief RO/2016/01 - Vervanging 'Bijlage 1: Positieve lijst’ bij de omzendbrief RO/2006/01

De nieuwe omzendbrief werd gepubliceerd op de website van het departement Ruimte Vlaanderen, onder het item wetgeving. Deze omzendbrief van 8 juli 2016 vervangt bijlage 1, Positieve lijst, bij omzendbrief RO/2006/01 betreffende het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting. Hierdoor wordt de verwerking van toegestane biomassastromen afgestemd op de gewijzigde marktsituatie. De inhoud van de omzendbrief RO/2006/01 blijft ongewijzigd. Omzendbrief RO/2016/01 vervangt enkel bijlage 1, positieve lijst.

RO/2006/01 - Omzendbrief inplanting installaties voor mestbehandeling en vergisting

Het moet gezegd zijn dat deze omzendbrief immers een richtlijn is vanuit het ministerie naar de  Colleges van Burgemeester en Schepenen, de Gouverneurs en leden van de Bestendigde Deputaties en naar de ambtenaren betrokken bij de vergunningsaanvragen. Juridisch is deze omzendbrief ondergeschikt aan alle geldende uitgevaardigde besluiten en decreten. Deze omzendbrief moet gezien worden als instructie voor de uitvoerende macht, een eerder indicatieve omzendbrief.

De inplanting van vergistingsinstallaties in Vlaanderen wordt geregeld door de omzendbrief RO/2006/01. In de omzendbrief zijn beperkingen opgelegd inzake tonnage, gebruik van co-substraten en verhoudingen in inputstromen. Voornamelijk de installaties met inplanting in agrarisch gebied zijn aan beperkingen onderhevig.

Het onderscheid wordt gemaakt tussen:

  1. mestbehandelings- en vergistingsinstallaties van (zeer) beperkte schaal en gebonden aan één enkel bedrijf;
  2. mestbehandelings- en vergistingsinstallaties van een beperkte schaal, niet gebonden aan één enkel bedrijf;
  3. grootschalige mestbehandelings- en vergistingsinstallaties, van een dermate schaal dat het eigenlijk om industriële bedrijven gaat;

Voor vergistingsinstallaties met inplanting in agrarisch gebied geldt (dus in principe 1 en 2) een maximum capaciteit van 60.000 ton. Ook is de 60/40 regeling van toepassing. Dit wil zeggen dat 60% van de stromen direct uit de landbouw afkomstig moeten zijn, 40% mag dan afkomstig zijn uit andere organische en biologische stromen.

stromen direct afkomstig van land- en tuinbouw (60%):

- dierlijke mest: excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan (Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen);

- land- en tuinbouwproducten van plantaardige oorsprong: gewassen of delen van gewassen geteeld op het land- en tuinbouwbedrijf die niet als afval beschouwd worden

andere organische en biologische stromen (40%):

- secundaire grondstoffen voor gebruik in of als meststof of bodemverbeterend middel (VLAREA hoofdstuk IV, inmiddels VLAREMA: zie Organisch Biologisch Afval);

- organische en biologische afvalstoffen voorkomend op de positieve lijst mogen co-verwerkt worden in agrarisch gebied. De limitatieve positieve lijst kan op basis van nieuwe ervaringen en inzichten vanuit de sector of de overheid aangepast worden.

Dat een omzendbrief over ruimtelijke ordening uitspraken doet over inputstromen lijkt ver gegrepen. De positieve lijst is een handige samenvatting van inputstromen die onder de bestaande wetgeving zijn toegelaten. Alle stoffen op de lijst moeten dus nog altijd aan de VLAREMA wetgeving e.d. voldoen.

Momenteel ligt een vernieuwde visienota over deze omzendbrief bij het kabinet van Minister-President Kris Peeters waarin door de sector consensus werd bereikt over:

  • Toegelaten biomassastromen onder de 60/40 verhouding
  • Voor “nieuwe” installaties:
    • Minimale mestinput in installaties (mestverwerking en co-vergisting ) naargelang de lokale mestdruk
    • Afzetmogelijkheden voor digestaat naar land en biologieën
    • Definitie “nieuwe installatie”